Wat is Jazz - Jazz in het Gooi

Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

Wat is jazz?

Dit is de vraag die al zo'n kleine honderd jaar wordt gesteld en waar ook de befaamde Joachim Berendt zijn 'Jazzbuch' uit 1953 mee opent. Hoewel de zwarte pioniers van rond de eeuwwisseling zich daar absoluut niet druk over maakten, begon het eigenlijk toch al bij het ontstaan van het woord 'jazz', dat oorspronkelijk eenzelfde soort stopwoord was als het tegenwoordige 'fuck'. Neergeschreven als 'jass' dook het op bij de eerste plaatopname uit 1917 in New York door de 'Original Dixieland Jass Band'. Leider/kornettist Nick La Rocca verklaarde zichzelf ook meteen maar de 'uitvinder' van deze nieuwe muziek.

Hoewel dit geheel uit blanken bestaande groepje weliswaar uit New Orleans afkomstig was en eigenlijk niet onverdienstelijk speelde was een dergelijke claim natuurlijk volstrekte nonsens. Het ging bovenal voorbij aan zo'n 20 jaar zwarte muziekhistorie en de eerste controverse over zwarte/blanke inbreng in de jazz was daarmee geboren. Voor de meeste betrokkenen was het echter duidelijk dat zwarte bands en vooral individuele spelers beslist origineler waren, met vaak heel wat meer 'roots' en dat gold met name voor die andere prominente speler van het eerste uur, Ferdinand 'Jelly Roll' Morton.

Jelly Roll Morton

Ook deze merkwaardige man, met het waarschijnlijk grootste ego uit de hele jazzgeschiedenis, benoemde zichzelf tot de uitvinder ervan. Feitelijk even absurd, maar ditmaal toch met aanmerkelijk meer recht van spreken, want bij hem kwamen niet alleen een groot aantal muzikale lijnen samen, maar als creatief genie zette hij inderdaad de jazz min of meer als een eenheid definitief op de muzikale kaart. In de eerste plaats door zijn jarenlange verkenningen en verwerkingen van naastgelegen muziekvormen als gospel en ragtime, maar tevens door de jazz een gedegen harmonische en theoretische basis mee te geven.

Als zodanig sloeg hij in zijn latere Chicago-jaren ook een brug van de op formele schema's gebaseerde 'hotjazz' uit New Orleans naar de nieuwe, complexere swing-arrangementen van de bigbands. En daarmee was tegelijk een nieuw schisma geboren... een schisma dat sterker werd naarmate de swingorkesten hun instrumentsecties strakker in het gareel hielden en het element improvisatie meer naar de achtergrond werd verdrongen. Was Benny Goodman (met de arrangementen van een toch onverdachte Fletcher Henderson) nog wel als 'echte' jazz te bestempelen? En hoe zat dat, nog erger, met iemand als Glenn Miller?..

'Pure jazz' versus commercie

In ons vaderlandje woedde dit soort strijd ook al voor de oorlog en werd elk optreden van een zich als jazzorkest afficherende groep als het ware langs een fundamentalistische maatlat gelegd. In bladen als 'Jazzwereld' werd dan vervolgens het vonnis geveld. Of juist niet, want zwarte musici stonden feitelijk boven elke verdenking en de tijdelijk inwonende Coleman Hawkins en Benny Carter konden (terecht natuurlijk) op een enthousiaste aanhang rekenen. Aan de andere kant waren het ook geweldige zwarte muzikanten als Louis Armstrong en Lionel Hampton die wat later opnieuw een scheiding der geesten veroorzaakten.

Vooral Armstrong werd toen vaak verweten dat hij te 'commercieel' zou zijn. Terwijl alleen al zijn bijdragen in de 30er jaren met zijn Hot Five en Hot Seven formaties hem eeuwigdurende roem hadden moeten opleveren. Wat Lionel Hampton betreft lijkt het inderdaad moeilijk om zijn ragfijne en subtiele vibrafoonsolo's in 'Stardust' uit 1956 te rijmen met zijn 'van dik hout zaagt men planken'-optreden ruim tien jaar later in de Apollohal, waarbij het publiek tenslotte hossend en krijsend door de vloer zakte. Het blad Rhythme uit die dagen constateerde bitter dat het begrip 'jazz', 'dat bij de doorsnee-Nederlander toch al geen bijster goede naam had, een flinke opdoffer naar omlaag had gekregen'.

Geen grenzen
De vraag is natuurlijk of musici altijd maar dienen te voldoen aan het beeld dat hun publiek voor ze heeft opgesteld. In het ideale geval kan een muzikant helemaal zijn eigen weg gaan en dat is meestal ook de beste manier waarop zijn individuele kwaliteit tot stand kan komen. Dat staat echter los van het wisselend soort 'contract' dat performer en publiek met elkaar aangaan bij een uitvoering. Met het betalen van een redelijke entree kun je dan als bezoeker een eveneens redelijke bijdrage van de uitvoerend artiest verwachten. Hampton in '54 en '56 beloofde in feite geen 'jazzmuziek' maar een hoop lol en dat heeft het publiek ten volle gekregen.

Meer dan andere muziekvormen heeft de jazz in elk geval een dynamisch karakter en dat uit zich ook in grote wisselingen in zowel vorm als kwaliteit. Zelfs van een meester als Coleman Hawkins, wiens oudere takes van 'It's the Talk of the Town', 'Honeysuckle Rose' en natuurlijk 'Body and Soul' uit 1939 mij steeds weer bij de keel grijpen, bestaan opnamen die slechts wat machteloos gehonk laten horen. Jazz erkent bovendien nauwelijks grenzen. Het is gewoon een boom die groeit waarheen hij wil en waaraan plotseling de meest merkwaardige vruchten blijken te groeien. En ook hierbij geldt dat de één hartstochtelijk van zoet kan houden en de ander van bitter of zuur.

Eigen oordeel

Enige tijd geleden las ik op de Amerikaanse website 'All About Jazz' enkele bijzonder bijtende kritieken op de tv-productie 'Ken Burns Jazz' en dan vooral op de daarbij betrokken Wynton Marsalis. In mijn reactie verbaasde ik me opnieuw over het hoge vitriool-gehalte ervan en de vreugdeloze verkettering van iets dat ik niet anders kan zien dan een integere inspanning om een bijzondere muziekvorm voor anderen toegankelijk te maken. In feite werd hier aan Marsalis en Burns het recht ontzegd om er eigen smaak en inzicht op na te houden en om op basis hiervan bewust eigen keuzes te maken. Precies datgene wat voor mij de essentie van jazz inhoudt.

Wat is jazz? Joachim Berendt, waarmee ik dit stukje aanving, heeft steeds zijn uiterste best gedaan om het antwoord in schema's en muzikale regeltjes te vangen. En de Amerikaanse musicoloog/arangeur en orkestleider met een eveneens Duitse naam, Gunther Schuller, ondernam in 1970 met tenslotte zo'n 2000 gedrukte pagina's onder de titel 'The History of Jazz' opnieuw een nog ambitieuzer poging. Ik zou het desondanks nog steeds niet weten... Het enige wat ik wel weet is of ik iets mooi vind of niet en dat meestal al na een paar maten. En was het niet gitarist/banjoist Eddie Condon die ooit opmerkte dat er slechts twee soorten jazzmuziek bestaan, goede en slechte...

 
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu